Studiekosten en leer-arbeidsovereenkomsten: rechtspraak in beweging

Wij kregen de afgelopen periode steeds vaker te maken met vragen over studiekostenbedingen. Recente rechtspraak liet zien dat het terugvorderen van opleidingskosten lang niet altijd meer is toegestaan. Met name het onderscheid tussen noodzakelijke en niet-noodzakelijke scholing bleek daarbij doorslaggevend. Dit leidde in meerdere zaken tot (gedeeltelijke) afwijzing van terugvorderingen.

Nieuwe lijn in de rechtspraak: artikel 7:611a BW centraal

In meerdere recente uitspraken stond artikel 7:611a BW centraal. Op grond van dit artikel geldt dat scholing die noodzakelijk is voor de uitoefening van de functie kosteloos moet worden aangeboden. Sinds de implementatie van de Europese richtlijn transparante en voorspelbare arbeidsvoorwaarden is daarnaast expliciet bepaald dat studiekosten voor dergelijke scholing niet op de werknemer mogen worden verhaald. Een studiekostenbeding is in dat geval nietig.

Rechters passen dit criterium strikt toe. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar formele functie-eisen, maar ook naar de feitelijke invulling van de functie en de rol van de werkgever.

Wanneer is scholing ‘noodzakelijk’?

Uit de rechtspraak blijkt dat scholing in veel gevallen als noodzakelijk wordt aangemerkt. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer:

  • de opleiding vereist is om de functie te kunnen uitoefenen;
  • de werkgever de scholing als voorwaarde stelt bij indiensttreding;
  • de werknemer zonder die scholing het werk niet goed kan uitvoeren;
  • de scholing nauw samenhangt met de functie of in overwegende mate in het belang van de werkgever is.

In een zaak bij de Rechtbank Oost-Brabant (2026) werd geoordeeld dat zowel een basisopleiding in de zorg als een vervolgopleiding noodzakelijke scholing vormden. De werkgever mocht daarom geen studiekosten terugvorderen.

Ook in een uitspraak van de Rechtbank Limburg (2026) werd een opleiding tot doktersassistente als noodzakelijk gezien, omdat deze feitelijk door de werkgever werd verlangd. Het studiekostenbeding werd volledig vernietigd.

Belangrijk is dat het initiatief van de werknemer niet doorslaggevend is. Zelfs als de werknemer zelf wil doorgroeien, kan nog steeds sprake zijn van noodzakelijke scholing, met name wanneer de opleiding nauw verbonden is met de functie of door de werkgever wordt verlangd.

Wanneer mag een studiekostenbeding nog wél?

Een studiekostenbeding is nog steeds toegestaan, maar alleen bij scholing die niet noodzakelijk is voor de huidige functie.

Dat bleek bijvoorbeeld uit een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (2026), waarin een opleiding tot registeraccountant niet als noodzakelijk werd aangemerkt. De werknemer kon zijn functie namelijk ook zonder deze opleiding uitoefenen. De opleiding was vooral gericht op doorgroei.

Toch betekent dit niet dat elk studiekostenbeding automatisch geldig is. De rechter toetst streng aan de criteria uit het arrest van de Hoge Raad (Muller/Van Opzeeland). Daarbij geldt onder andere dat:

  • de terugbetalingsregeling evenredig moet zijn;
  • rekening moet worden gehouden met het voordeel dat de werkgever van de opleiding heeft;
  • de financiële gevolgen voor de werknemer duidelijk en transparant moeten zijn.

In de betreffende zaak werd het studiekostenbeding daarom slechts gedeeltelijk toegepast, omdat het onvoldoende rekening hield met het voordeel voor de werkgever en onduidelijk was over bepaalde kosten.

Leer-arbeidsovereenkomst: einde zonder ontslag

Bij leer-arbeidsovereenkomsten speelt bovendien dat de arbeidsovereenkomst vaak van rechtswege eindigt wanneer de opleiding stopt. In dat geval is geen sprake van ontslag, maar van een contractueel einde van de overeenkomst.

Belangrijke aandachtspunten voor werkgevers

De recente rechtspraak maakt duidelijk dat studiekostenbedingen geen standaardclausules meer zijn die zonder risico kunnen worden gebruikt. Werkgevers doen er goed aan om:

  • vooraf te beoordelen of scholing als noodzakelijk kan worden gezien;
  • studiekostenbedingen alleen toe te passen bij niet-noodzakelijke scholing;
  • duidelijke en evenwichtige terugbetalingsregelingen op te nemen;
  • transparant te zijn over de financiële gevolgen voor de werknemer;
  • rekening te houden met het voordeel dat zij zelf van de scholing hebben.

Conclusie

De ruimte voor het terugvorderen van studiekosten is de afgelopen jaren aanzienlijk beperkt. Zodra sprake is van noodzakelijke scholing, is een studiekostenbeding nietig en kan geen terugbetaling worden verlangd. Ook bij niet-noodzakelijke scholing gelden strenge eisen aan de inhoud van het beding.

Voor werkgevers betekent dit dat bestaande studiekostenbedingen kritisch moeten worden beoordeeld en waar nodig aangepast.

Lees hier de hele uitspraken:

  • Rechtbank Limburg 21 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:261
    Studiekostenbeding nietig, omdat de opleiding volgens de werkgever noodzakelijk was voor de functie van doktersassistente.
  • Rechtbank Limburg 22 januari 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:663
    Leer-arbeidsovereenkomst eindigde van rechtswege door het intreden van een ontbindende voorwaarde (einde opleiding); geen sprake van ontslag.
  • Rechtbank Oost-Brabant 5 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:857
    Studiekostenbedingen nietig, omdat de opleidingen tot Helpende Plus en Verzorgende IG als noodzakelijke scholing werden aangemerkt.
  • Rechtbank Amsterdam 20 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:3114
    Studiekostenbeding deels toegepast; terugbetaling beperkt wegens onvoldoende transparantie en gebrek aan evenredigheid, mede bij overgenomen studiekosten van een vorige werkgever.

Direct vrijblijvend advies

Wil u meer informatie van ons ontvangen of een persoonlijk onderhoud? Vul dan uw gegevens hiernaast in en wij zullen direct contact met u opnemen of de gevraagde informatie aan u toezenden.

Contact