De Rechtbank Zeeland-West-Brabant boog zich over de vraag of een werknemer verplicht was duizenden euro’s aan studiekosten en scholingsuren terug te betalen na het vroegtijdig beëindigen van zijn dienstverband. De uitspraak is belangrijk, omdat zij duidelijk maakt dat een studiekostenbeding bij beroepsopleidingen wel rechtsgeldig kan zijn, maar dat goed werkgeverschap en redelijkheid grenzen stellen aan wat een werkgever mag terugvorderen.
Lees verder voor de feiten, de vorderingen en het oordeel van de kantonrechter.
De feiten
Een leerling-monteur trad in 2022 in dienst bij zijn werkgever en volgde via een BBL-constructie de opleiding Eerste monteur elektronische installaties Woning & Utiliteit. Partijen sloten daarvoor een studiekostenovereenkomst, waarin stond dat bij vroegtijdig vertrek de gemaakte kosten zouden worden verhaald, inclusief scholingsuren. In februari 2024 zegde de werknemer zijn contract op. De werkgever verrekende daarop € 1.660,10 met de eindafrekening en stuurde een factuur voor het restant van ruim € 4.000.
Vorderingen
- Werknemer vorderde uitbetaling van de ingehouden eindafrekening en stelde dat hij niet gehouden was tot terugbetaling van de studiekosten.
- Werkgever eiste juist dat de werknemer het volledige restantbedrag aan studiekosten zou voldoen.
Oordeel van de kantonrechter
De rechter stelde voorop dat opleidingen die noodzakelijk zijn voor de functie in beginsel kosteloos moeten worden aangeboden (art. 7:611a BW). Voor beroepsopleidingen, zoals een BBL, geldt dit echter niet. Het studiekostenbeding was dus in principe geldig.
Wel zijn er grenzen. Op basis van goed werkgeverschap (art. 7:611 BW) en de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 BW) mag een werkgever niet méér verhalen dan redelijk is. Uit het arrest Muller/Van Opzeeland volgt bovendien dat een terugbetalingsregeling moet voldoen aan een afbouwsysteem en dat werknemers vooraf duidelijk moeten zijn geïnformeerd over ingrijpende gevolgen.
Hoewel in dit geval op papier stond dat ook de scholingsuren terugbetaald moesten worden, was niet gebleken dat dit expliciet en duidelijk aan de werknemer was uitgelegd. Bovendien had de werkgever bij het ontslag geen exitgesprek gevoerd en de gevolgen niet toegelicht. Daarom bepaalde de rechter dat de werknemer slechts een kwart van het loon over de scholingsuren hoefde terug te betalen (€ 985,83). Wel moest hij de overige studiekosten van € 1.850,75 voldoen.
Per saldo kwam dit neer op € 2.836,58, waarvan al € 1.660,10 was verrekend. De werknemer moest dus nog € 1.176,48 betalen. Daarnaast werd hij veroordeeld tot een beperkte vergoeding voor vermist gereedschap (€ 75,- in plaats van € 140,- wegens correctie ‘nieuw voor oud’).
Belang van de uitspraak
Deze uitspraak bevestigt dat een studiekostenbeding bij beroepsopleidingen geldig kan zijn, maar onderstreept ook dat werkgevers zorgvuldig moeten handelen: werknemers moeten vooraf én bij het einde van het dienstverband duidelijk gewezen worden op de terugbetalingsgevolgen. Doen zij dit niet, dan kan de rechter de verplichting matigen.
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19 maart 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:5947